Deze website maakt gebruik van cookies om het gebruik van de website te analyseren en het gebruiksgemak te verhogen.
U kunt meer lezen over cookies in onze disclaimer

Nederland

Varkensinfluenza

Griepinfecties bij varkens

Alle drie de subtypen van het varkensinfluenzavirus zijn wijdverbreid over Europa. Het is bijna onmogelijk om in gebieden met een hoge varkensdichtheid populaties te vinden die 100% seronegatief testen voor influenza. Infecties met meerdere varkensinfluenza-subtypen komen vaak voor, in het bijzonder bij fokzeugen. Mogelijk houdt dit verband met de langere levensduur van deze dieren.

Varkensinfluenza is een van de primair respiratoire pathogenen van het varken: het kan zelfstandig ziekteverschijnselen opwekken en laesies in de longen veroorzaken (zie tabel I). Toch komen subklinische infecties (zonder klinische verschijnselen) heel vaak voor, ook bij infecties met meerdere subtypen. Voor het opwekken van het acute respiratoire ziektebeeld, dat vermoedelijk veroorzaakt wordt door de overdadige productie van pro-inflammatoire cytokinen, moet het virus zich eerst sterk vermenigvuldigingen. Naast acute respiratoire ziekteverschijnselen levert influenza ook een bijdrage aan het ‘Porcine Respiratory Disease Complex’ (PRDC). Uit experimenteel onderzoek is gebleken dat infecties van varkens met zowel influenza als andere virussen (bijv. PRRS-virus) of bacteriën (bijv. Mycoplasma hyopneumoniae), ernstiger ziekteverschijnselen en groeivertraging veroorzaken dan infectie met de ziekteverwekkers afzonderlijk. Symptomen bij zeugen ; o.a. invloed op fertiliteitsparameters

Het grootste risico bij zeugen is de hoge koorts, welke kan lijden tot abortus, vroeggeboorten en verhoogd % doodeboren en niet levensvatbare biggen. Voorts kan het de vruchtbaarheid nadelig beinvloeden.
Ook bij zeugen zien we respiratoire problemen. Zowel bij zeugen als bij vleesvarkens kunnen griepinfecties lijden tot secundaire (bacteriële) infecties.

Alles uitvouwen
  • Vaccinatie en bioveiligheid blijven de primaire middelen om varkensgriep op varkenshouderijen te voorkomen.Meestal worden alleen de zeugen gevaccineerd, ofwel om de zeugenstapel te beschermen (niet-immune gelten) met een primovaccinatie gevolgd door een boostervaccinatie om de zes maanden, ofwel om de nakomelingen te beschermen door middel van een boostervaccinatie van de zeugen voor het werpen,. Boostervaccinaties voor het werpen resulteren in hogere en langer aanhoudende titers van maternale antistoffen tegen griep in de biggen: (tot een leeftijd van 14–16 weken.) vergeleken met de nakomelingen van niet-gevaccineerde zeugen (6 weken).De vaccinatie van vleesvarkens kan nuttig zijn op bedrijven waar influenza zich beperkt tot afdelingen voor gespeende varkens en mestvarkens (aparte locaties). Bij het tijdstip van de vaccinatie moet rekening worden gehouden met de eventuele vaccinatie van de zeugen

  • Bij acute griepuitbraken op een vermeerderingsbedrijf dient de behandeling gericht te zijn om koorts zo snel mogelijk te onderdrukken, aangezien dit kan leiden tot abortus, een verhood percentage doodgeboren biggen of een verminderde vruchtbaarheid. Parenterale toediening van NSAID’s zijn geïndiceerd, eventueel in combinatie met antibiotica om secundaire bacteriële infecties te couperen.
    Bij vleesvarkens is de behandeling met name gericht op het bestrijden en voorkomen van secundaire infecties. Parenterale toediening van antibiotica heeft de voorkeur, omdat zieke dieren vaak nauwelijks voer en water opnemen. Eventueel kan deze therapie ondersteund worden met NSAID’s, hetzij individueel, hetzij via het drinkwater.

  • Influenza A-virussen zijn enkelstrengs RNA-virussen behorende tot de familie van de Orthomyxoviridae en bezitten een enveloppe. Influenza A-virussen zijn onderverdeeld in subtypen op basis van de antigene eigenschappen van de buitenste glycoproteïnen hemagglutinine (HA; 16 verschillende antigeentypen: H1–H16) en neuraminidase (NA; N1–N9). Het HA en de NA zijn erg belangrijk voor het opwekken van een antistofrespons in de gastheer. Hun combinatie bepaalt het subtype van het virus. Alle drie de subtypen van het varkensinfluenzavirus (Swine Influenza Virus – SIV) komen op dit moment voor binnen de Europese varkenshouderij: de subtypen H1N1 en H3N2 komen al meer dan 30 jaar in de Europese varkenshouderij voor en H1N2 werd het eerst in 1994 in Groot-Brittannië vastgesteld, maar komt sinds 1998-2000 ook voor in vele landen op het Europese vasteland. Het virus is vermoedelijk ontstaan door een dubbele genetische recombinatie. Zijn genen zijn afkomstig van 3 verschillende influenzastammen (zie afbeelding).

     

     

  • De klinische diagnose van influenza kan bij afwezigheid van pathognomonische verschijnselen slechts een waarschijnlijkheidsdiagnose zijn: laboratoriumonderzoek (zie tabel II) is noodzakelijk voor bevestiging van de diagnose en een differentiële diagnose.

     

     

  • 1. Olsen C.W., Brown I., Easterday B.C., Van Reeth K. Swine influenza. In: Diseases of Swine (9th ed.), B.E. Straw, J.J. Zimmerman, S. D’Allaire and D.J. Taylor, Editors, Blackwell Publishing Ltd., Oxford, UK (2006), pp. 701–717.

    2. Van Reeth K, Brown I., Dürrwald R., Foni E., Labarque G., Lenihan P., Maldonado J., Markowska-Daniel I., Pensaert M., Pospisil Z., Kochi G. (2008) Seroprevalence of H1N1, H3N2 and H1N2 influenza viruses in pigs in seven European countries in 2002–2003. In: Influenza and Other Respiratory Viruses, Blackwell Publishing Ltd, 2, 99–105.

    3. Van Reeth K. (2007). Avian and swine influenza viruses: our current understanding of the zoonotic risk. Veterinary Research. 38, 243–260

    4. Van Reeth K., Labarque G., Kyriakis C.S., Pensaert M. (2006). Specificity of the haemagglutination inhibition (HI) test for the detection of infection with European H1N1, H3N2 and H1N2 swine influenza virus: lessons from experimental studies. Proceedings of the 19th IPVS congress, Kopenhagen (Denemarken), vol 1, 263.

    5. Van Reeth K., Nauwynck H., Pensaert M. (2001). Clinical Effects of Experimental Dual Infections with Porcine Reproductive and Respiratory Syndrome Virus Followed by Swine Infuenza Virus in Conventional and Colostrum-deprived Pigs. J. Vet. Med. B 48, 283±292