Deze website maakt gebruik van cookies om het gebruik van de website te analyseren en het gebruiksgemak te verhogen.
U kunt meer lezen over cookies in onze disclaimer

Nederland
coccidiose bij varkens

Coccidiose bij varkens

Vetdiarree

Coccidiën bij varkens (Isospora suis) zijn intracellulaire parasieten die ernstige diarree veroorzaken bij biggen. Deze parasiet is overal aanwezig waar varkens gehouden worden en coccidiose bij varkens is een belangrijke klinische aandoening bij varkens. De gemiddelde prevalentie in Europa bedraagt rond de 70%1,2.

Symptomen

Isospora suis besmet vooral jonge zogende biggen (<15 dagen oud). Het aantal besmette dieren hangt af van de oorspronkelijke infectiedruk6. De meeste besmettingen vinden meestal plaats rond een leeftijd van 2 weken1.

Doordat de darmmucosa ernstig beschadigd is door de parasitaire vermenigvuldiging (de darmvlokken die het absorptieoppervlak vergroten zijn vernietigd), kunnen water en voedingsstoffen niet opgenomen worden waardoor er een ernstige diarree ontstaat evenals een groeivertraging en vermagering (besmette biggen wegen bij het spenen tot 500g minder dan gezonde biggen) 6. Er is een pasteuze tot waterige diarree. Een bijkomende infectie (bijv. E. coli) kan de morbiditeit en het sterftecijfer verhogen 6.

De darmmucosa herstelt zich snel maar de verstoring van de verteringsfunctie zal aanzienlijk langer aanhouden dan de ziekteverschijnselen, gezien de tijd die nodig is voor de regeneratie van de darmvlokken.

Alles uitvouwen
  • Isospora suis is een intracellulaire parasiet waarvan de ontwikkelingsstadia zowel in de gastheer als in de omgeving plaatsvinden. Met een gemiddelde prevalentie van rond de 70% in Europa, komt diarree bij 78% van de besmette tomen  voor1,2. Isospora suis  infecties treden  vaak gelijktijdig op met andere darmpathogenen bij biggen4.

    De parasiet heeft een vermenigvuldigingsfase in het darmkanaal van de biggen (endogene fase) en een sporuleringsfase, waarbij de eitjes besmettelijk worden, in de omgeving (exogene fase)5 .

    Biggen raken besmet door opname van de besmettelijke parasieteitjes (gesporuleerde oöcysten) uit de omgeving. De oöcysten worden tijdens de passage door de maag geactiveerd tot sporozoïeten en de sporozoïeten komen vrij in het darmkanaal. Deze sporozoïeten dringen de darmcellen (jejunum, ileum) binnen. In de darmcellen worden twee soorten merozoïeten geproduceerd, die daarna vrijkomen. Deze aseksuele vermenigvuldiging herhaalt zich waardoor meer en meer darmcellen vernietigd worden. Vervolgens dringen de merozoïeten nieuwe darmcellen binnen en ontwikkelen zich tot mannelijke en vrouwelijke gametocyten. Dit seksuele stadium treedt meestal vier dagen na de besmetting op. De paring van deze mannelijke en vrouwelijke gametocyten leidt tot de productie van oöcysten, die vrijkomen in de darmen en met de mest uitgescheiden worden. De prepatente periode (tijd tussen besmetting en uitscheiding van de oöcyst in de mest) voor Isospora suis bedraagt meestal 5 tot 7 dagen. Afhankelijk van de omgevingsfactoren zal de niet-besmettelijke oöcyst snel of minder snel ontwikkelen tot een besmettelijke (gesporuleerde) oöcyst (een temperatuur van 20-40°C is optimaal). Dankzij hun buitenste celwand zijn oöcysten erg resistent aan omgevingsfactoren zoals droogte en desinfectantia. De aanwezigheid van coccidiën in de omgeving is de belangrijkste oorzaak van besmetting; een big kan tot 100.000 oöcysten per gram feces uitscheiden8. 

  • Bij vermoeden van coccidiose dient men te trachten de aanwezigheid van I. suis aan te tonen. Aangezien de ziekteverschijnselen en een gebrek aan verbetering na behandeling met antibiotica niet erg specifiek zijn voor deze parasiet, dient de diagnose bevestigd te worden door het opsporen van de oöcysten in de mest (levende dieren) of door het onderzoeken van de ontwikkelingsstadia van de parasiet in de darmmucosa (autopsie).

    Bij de directe opsporing in mest is het mogelijk om een idee te krijgen over de mate van besmetting, door onderzoek van 1 g mest met de flotatie/concentratietechniek en het tellen van de oöcysten in een telkamer van McMaster.

    Fluorescentietechnieken worden zelden routinematig gebruikt, ook al zijn ze zeer betrouwbaar. 

  • Hoewel er producten zijn zoals toltrazuril, met een aangetoonde coccidiocide werking, bestaat er geen betrouwbare behandeling tegen coccidiose. De belangrijkste reden is dat, eens dat er klinische verschijnselen optreden, de darmmucosa al beschadigd is door de parasitaire vermenigvuldiging7. Een curatieve behandeling is slechts van beperkte waarde  voor de bestrijding van de verschijnselen en voor het verwachte economische voordeel10.

  • De beste manier om coccidiose te bestrijden is om biggen preventief oraal met toltrazuril te behandelen op een leeftijd van 3 à 5 dagen, voordat ze besmet worden. De gebruikelijke dosis is 0,4 ml/kg lichaamsgewicht bij een concentratie van 50 mg toltrazuril per ml. Aangezien toltrazuril werkzaam is tegen de intracellulaire stadia van de parasiet, zal het de parasitaire vermenigvuldiging en daarmee ook de vernietiging van de darmmucosa voorkomen. Gebruik van een preventieve behandeling tegen I. suis zal ook de kans op een secundaire infectie verminderen.  

  • Bij natuurlijk geïnfecteerde varkens gaf behandeling met toltrazuril een kosten/baten winst van 1 € per behandelde big met een gewichtstoename van 20,3 g/dag meer dan de controlegroep en een afname van 85% van antibioticagebruik tegen diaree9,11.

  • 1. Hamadejova.  Vet. Med. – Czech, 50, 2005 (4): 159–136
    2. Prevalence data: Leten J et al. 2002 ; Hollanders W et al  1993 ; Enric M. 2000 ; 
        Vezzoli F et al. 2002 ; Larsen K. 1995 ; Iglesias J. 2000 Ristow  L.E et al.  2002 
    3. Meyer C. et al 1999 Veterinary Parasitology 82, 277-284
    4. Driesen et al. 1993 Aust. Vet. J. 70 (7), 259-263 
    5. Lindsay et al. J Parasitol. 1982 ; 68:861-5.
    6. Mundt et al. Parasitol Res. 2003; 90: S158 –S159
    7. Stuart et al. Can J comp Med. 1982 ; 46:317-20.
    8. Henrickson et al. 1992 Vet. Rec. 13: 443-444
    9. Driesen SJ et al Aust Vet J 1995;72:139–141; 
    10. Scala A et al Veterinary Parasitology 2009;163:362–365