Deze website maakt gebruik van cookies om het gebruik van de website te analyseren en het gebruiksgemak te verhogen.
U kunt meer lezen over cookies in onze disclaimer

Nederland

Paratuberculose

Paratuberculose of paratbc, ook wel de ziekte van Johne genoemd, is een chronische darminfectie bij schapen en geiten veroorzaakt door de bacterie Mycobacterium avium subsp. paratuberculosis. Paratbc kan aanzienlijke productieverliezen tot gevolg hebben op geïnfecteerde bedrijven.

Alles uitvouwen
  • De overdracht van M. paratuberculosis vindt voornamelijk plaats via de fecaal-orale weg. De bacteriën dringen het lichaam binnen via lymfeweefsel van de dunne darm (de zg. Peyerse platen). Ze infecteren het laatste gedeelte van de dunne darm, de blindedarm, het colon en de lymfeklieren en bloedvaten in het aanliggende mesenterium (darmscheil). Dit leidt tot een ontsteking en een verdikking van de darmwand, wat een normale opname van energie en voedingsstoffen verstoort. Dit kan leiden tot ernstig gewichtsverlies, vermagering en ten slotte de dood.

  • De aandoening wordt gekenmerkt door een lange incubatieperiode. Jonge lammeren en geitjes lijken vatbaarder te zijn voor infectie. Besmetting vindt meestal plaats van oudere geïnfecteerde volwassen dieren op jonge en pasgeboren dieren. De meeste dieren vertonen echter geen klinische verschijnselen totdat ze twee jaar oud zijn. Tot dat moment kan infectie erg moeilijk te ontdekken zijn. Geïnfecteerde dieren kunnen, vaak met tussenpozen, bacteriën uitscheiden gedurende het hele verloop van de ziekte en zelfs al voordat klinische verschijnselen van infectie zichtbaar zijn.

    In een koppel waar paratbc endemisch voorkomt ontwikkelt slechts een minderheid van de dieren klinische verschijnselen; de dieren kunnen de infectie elimineren of worden symptoomloze dragers.

    Typische verschijnselen van klinische paratbc zijn onder andere gewichtsverlies, vermagering en zwakte. Deze verschijnselen verergeren, totdat het dier uiteindelijk sterft door ondervoeding. Bij schapen en geiten vertoont slechts een klein percentage van de klinische gevallen diarree in het eindstadium van de ziekte. Dit in tegenstelling tot rundvee, waarbij diarree kenmerkend is voor de ziekte. Vanaf het optreden van de verschijnselen is het ziekteverloop van paratbc progressief, en aangetaste dieren kunnen binnen 2-6 maanden sterven. Het sterftecijfer is ongeveer 1%, maar tot 50% van de dieren in de koppel kunnen een symptoomloze infectie hebben, wat productieverliezen tot gevolg heeft. Het percentage symptoomloze dragers dat uiteindelijk klinische verschijnselen ontwikkelt is onbekend.

    De klinische gevallen van paratbc worden beschouwd als het topje van de ijsberg. Voor ieder klinisch geval van paratbc zijn er waarschijnlijk talrijke symptoomloze geïnfecteerde dieren, afhankelijk van de verspreiding van de infectie op het bedrijf. Door de lange incubatieperiode is het waarschijnlijk dat bij vaststelling van de infectie, de besmetting al een aantal jaren eerder heeft plaatsgevonden.

  • Er bestaat geen toereikende behandeling. De bestrijding is gebaseerd op goede hygiëne en maatregelen gericht op beperking van de blootstelling van jonge dieren aan het micro-organisme.

  • Een routinematig testprogramma voor volwassen dieren kan helpen richting te geven bij de bestrijding van de ziekte. Bedrijven met bevestigde gevallen van paratbc moeten getest worden om de infectieprevalentie vast te stellen. Dieren die positief testen, en vooral de dieren die grote hoeveelheden bacteriën uitscheiden of een sterk positief ELISA-testresultaat hebben moeten zo snel als economisch mogelijk geslacht worden. De test dient ten minste éénmaal per jaar herhaald te worden totdat op bedrijfsniveau is aangetoond dat de infectieprevalentie laag is (<5%). Omdat infectie in de baarmoeder kan optreden, worden lammeren van moederdieren met ziekteverschijnselen in de striktere bestrijdingsprogramma’s geruimd. Vaccinatie van geiten en schapen is in Nederland onder voorwaarden toegestaan.

    Algemenere maatregelen om fecale besmetting op het bedrijf te voorkomen kunnen ook helpen, bijv.: voer- en watertroggen verhogen, vers water aanbieden in plaats van stilstaand water (bijv. waterplassen) en regelmatig eggen om de mest over de wei te verspreiden.