Deze website maakt gebruik van cookies om het gebruik van de website te analyseren en het gebruiksgemak te verhogen.
U kunt meer lezen over cookies in onze disclaimer

Nederland

Maligne oedeem

Maligne oedeem is een clostridiuminfectie die vaak voorkomt bij schapen, maar ook bij geiten, paarden, varkens en rundvee. De aandoening is een acute, meestal dodelijke toxemie (bloedvergiftiging) die veroorzaakt wordt door een reeks Clostridium-bacteriën, waaronder Cl septicum (belangrijkste ziekteverwekker), Cl novyi type A, Cl chauvoei, Cl perfringens type A en Cl sordellii. Cl septicum wordt aangetroffen in de grond en in de darminhoud van dieren (en mensen) over de hele wereld.

‘Swelled-head’ (dikkop), een apart geval van maligne oedeem bij rammen, is een acute infectieuze aandoening die veroorzaakt wordt door Cl novyi type A, Cl sordellii, of zelden door Cl chauvoei. De aandoening is gekenmerkt door een zwelling (zonder gasvorming en bloeding) van de kop, snuit en nek. Deze infectie ontstaat bij jonge rammen wanneer ze met elkaar vechten en elkaar voortdurend kopstoten geven. De gekneusde onderhuidse weefsels bieden gunstige groeiomstandigheden voor ziekteverwekkende Clostridium-bacteriën, die het lichaam kunnen binnendringen via de huidbeschadigingen.

Alles uitvouwen
  • Maligne oedeem treedt op na infectie van diepe wonden met Clostridium-bacteriën, die plaatselijke zwelling en verkleuring van de huid veroorzaken. Routinehandelingen zoals scheren kunnen wonden veroorzaken die gemakkelijk geïnfecteerd kunnen raken. Wanneer deze handelingen in vieze, onhygiënische omstandigheden uitgevoerd worden, is infectie niet ongewoon. Na een zware bevalling of na hulp bij een bevalling kan het geboortekanaal geïnfecteerd raken. Ernstige bloedvergiftiging en de dood van het dier kan binnen een aantal dagen optreden.

  • Binnen 12 tot 48 uur na de verwonding ontwikkelen zich klinische verschijnselen, waaronder plaatselijke zwelling, crepitus (knisperend of knetterend geluid onder de huid), hitte en roodheid. De verschijnselen variëren afhankelijk van het micro-organisme dat de infectie veroorzaakt.

    Algemene verschijnselen zoals gebrek aan eetlust, vergiftiging en hoge koorts, maar ook plaatselijke letsels treden op binnen een aantal uren tot een aantal dagen nadat het dier de risicovolle verwonding heeft opgelopen. De plaatselijke letsels zijn zachte zwellingen waarin bij druk een kuiltje achterblijft. Deze zwellingen breiden zich snel uit door de vorming van grote hoeveelheden ontstekingsvocht dat zich ophoopt in het subcutane en intramusculaire bindweefsel. Het spierweefsel is in deze gebieden donkerbruin tot zwart van kleur.

  • Infecties verspreiden zich snel en veel schapen worden dood of stervend aangetroffen. Wanneer het ziekteverloop langer duurt, is er de mogelijkheid tot behandeling. Succesvolle behandeling is alleen mogelijk indien de ziekte in een zeer vroeg stadium wordt ontdekt of bij preventief gebruik (bijvoorbeeld: toediening aan ooien na geassisteerd aflammeren). Behandeling met antibiotica is zelden effectief. Het belang van een uitbereid vaccinatieprogramma kan dan ook niet genoeg benadrukt worden.

  • De belangrijkste factor bij het beheersen van deze aandoening is de ontwikkeling van een toereikende immuniteit bij risicodieren door vaccinatie. Het vaccinatieprogramma dat ingezet wordt op een bedrijf moet rekening houden met de immuniteitsprincipes, de kans van optreden van de ziekte en economische factoren.

    Passieve immuniteit wordt overgedragen van het moederdier op de nakomelingen met de biest (colostrum). Indien het moederdier ongeveer een maand voor de geboorte een boostervaccinatie krijgt, zijn de nakomelingen beter en langer beschermd.

    Voor actieve immuniteit is een primaire vaccinatie vereist, bestaand uit twee doses van het vaccin, gegeven met een interval van 4 tot 6 weken. Dit biedt een langdurige bescherming. Bij lammeren van geënte ooien kan de eerste dosis worden toegediend vanaf 6 weken, wanneer de bescherming via de moedermelk begint af te nemen. De eerste dosis initialiseert het immuunsysteem van het dier alleen, daarom is er een tweede dosis nodig.

    Jaarlijkse boostervaccinaties houden de bescherming in stand en zorgen ervoor dat moederdieren via het colostrum antilichamen doorgeven aan hun nakomelingen, zodat deze beschermd zijn totdat ze oud genoeg zijn om zelf gevaccineerd te worden. Boostervaccinaties moeten strategisch gegeven worden vóór risicovolle periodes.