Deze website maakt gebruik van cookies om het gebruik van de website te analyseren en het gebruiksgemak te verhogen.
U kunt meer lezen over cookies in onze disclaimer

Nederland

Leverbotinfectie

Fascioliasis of leverbotinfectie, is een parasitaire ziekte bij herbivoren veroorzaakt door de trematode (platworm) Fasciola hepatica. In de afgelopen jaren is de verspreiding van leverbotinfectie drastisch toegenomen door klimaatveranderingen (gematigder, natter weer) en wellicht door een grotere mobiliteit van vee. Over het algemeen is de prevalentie van leverbotinfectie bij landbouwhuisdieren het hoogst in de landen en gebieden met de hoogste neerslagcijfers.

Alles uitvouwen
  • De epidemiologie van de ziekte wordt beïnvloed door de graasgewoonten van de dieren. Dieren die grazen in vochtige, moerassige gebieden en op licht zure gronden, lopen meer risico op infectie. Dit zijn gunstige omstandigheden voor de leverbotslak (de tussengastheer). Lange natte seizoenen gaan gewoonlijk gepaard met een hoger infectiepercentage. Schapen lopen echter meer kans om grote hoeveelheden cysten op te nemen tijdens droge periodes volgend op een nat seizoen. Dit komt doordat er in droge periodes minder weidegrond beschikbaar is, waardoor dieren gedwongen worden om te grazen in moerassige gebieden of in gebieden waar het water is teruggelopen. Hierdoor worden ze blootgesteld aan vegetatie die zwaar besmet is met leverbotten in het ingekapselde larvale stadium, zogenaamde metacercariae.

    Dieren raken besmet door opname van metacercariae tijdens het grazen op besmette weidegronden. De jonge larven verliezen hun kapsel na contact met de lage pH in de maag en als gevolg van de lichaamstemperatuur, CO2 en gal in de twaalfvingerige darm. Na vrijkomen uit de cyste graaft de parasiet zich door de darmwand een weg naar de peritoneale holte. Vervolgens migreert de parasiet naar de lever door het leverkapsel binnen te dringen. De pas vrijgekomen larven voeden zich in dit stadium nog niet, maar wanneer ze na 4-6 dagen aankomen in het leverweefsel, beginnen ze zich te voeden. Dit larfstadium in het leverweefsel is het ziekteverwekkende stadium. Tijdens deze fase van acute infectie treedt de meeste sterfte op onder zwaar geïnfecteerde schapen, als gevolg van inwendige bloedingen, bloedarmoede en een verstoorde leverfunctie. De jonge leverbotten migreren gedurende zo’n 4-6 weken door het leverweefsel, waarbij ze teren op leverweefsel en bloed.

    Ten slotte bereiken ze de galgangen, waar ze in ongeveer 4 weken volwassen worden. Volwassen leverbotten kunnen hier jarenlang verblijven en zich met bloed voeden: dit veroorzaakt ernstige leverschade en bloedarmoede. Ze produceren duizenden eitjes (volwassen leverbotten zijn hermafrodiet) die met de gal vrijkomen in de dunne darm en ten slotte op de wei terecht komen met de ontlasting. Iedere leverbot kan tot 25.000 eitjes per dag produceren en bij een lichte infectie kan één schaap het weiland besmetten met zo’n 500.000 eitjes per dag. De eitjes die door de volwassen leverbotten geproduceerd worden, komen via de uitwerpselen van hun gastheer terecht in natte gebieden.

  • Leverbotinfectie bij schapen kan een acute, subacute of chronische vorm hebben.

    Acute leverbotinfecties treden plotseling op, ongeveer 5-6 weken na opname van grote hoeveelheden metacercariae in een kort tijdsbestek. Hierdoor migreren er grote aantallen leverbotlarven door het leverweefsel. Dit leidt vaak tot plotselinge sterfte zonder voorafgaande klinische verschijnselen. De migrerende larven veroorzaken de grootste beschadiging aan het leverweefsel. De meeste gevallen van acute leverbotinfectie komen voor in de herfst door de eitjes die tijdens de winter en de lente daarvoor zijn uitgescheiden. Sommige metacercariae overleven echter de winter van het vorige seizoen. Dit zou een verklaring kunnen zijn voor het toenemende aantal gevallen van infecties bij schapen vroeg in het seizoen, tijdens de wintermaanden. De grote opname van metacercariae nodig om een acute infectie te veroorzaken, is afhankelijk van seizoensgeboden weersomstandigheden. Het risico op een dergelijke grote opname neemt toe wanneer de juiste maatregelen tegen leverbotten niet tijdig worden genomen.

    Subacute leverbotinfecties komen vooral voor vanaf de late herfst tot in het voorjaar, 6-10 weken na opname van metacercariae. In deze periode worden minder metacercariae opgenomen en over een langer tijdsbestek dan bij acute infecties. De ziekte treedt daarom niet zo snel en dodelijk op als bij acute infecties, en getroffen schapen kunnen gedurende 1 tot 2 weken voordat ze sterven klinische verschijnselen vertonen. In het leverweefsel zullen grote aantallen leverbotlarven aanwezig zijn, maar minder dan bij een acute infectie. De leverbotten zullen zich verder ontwikkeld hebben en er zullen ook volwassen leverbotten aangetroffen worden in de grote galgangen.

    Chronische leverbotinfecties komen voornamelijk laat in de winter en vroeg in het voorjaar voor, en is de meest voorkomende vorm van infectie. Deze vorm wordt veroorzaakt door leverbotlarven die in de galgangen bloed zuigen, wat leidt tot bloedarmoede en mogelijk verstopping van de galgangen. Naarmate de activiteit van de volwassen leverbotten toeneemt, krijgt het dier geleidelijk bloedarmoede en kunnen er andere verschijnselen zoals oedeem of zwelling onder de kaak zichtbaar worden. Sterfte kan optreden bij ernstige bloedarmoede of in geval van bijkomende stress zoals bijv. manipulatie.

  • Veruit de meeste diagnoses van chronische leverbotinfectie worden gesteld na inspectie in slachthuizen: wanneer een insnijding gemaakt wordt in de grote galgangen van geïnfecteerde schapen zullen daar volwassen leverbotten worden aangetroffen. Chronisch beschadigde levers, met fibrose, littekenweefsel en verdikking of verkalking van de galgangen worden vaak zonder leverbotten aangetroffen bij dieren die vóór de slacht succesvol werden behandeld met anthelmintica (wormmiddelen).

    De volgende methoden kunnen gebruikt worden om te bepalen of in een koppel leverbotinfectie voorkomt, hoewel de eerste twee het meest gebruikt worden.

    1. Klinisch onderzoek op uiterlijk zichtbare verschijnselen van leverbotinfectie

    Acute en chronische leverbotinfectie worden veroorzaakt door verschillende stadia van Fasciola hepatica in de lever, die kunnen leiden tot verschillende klinische verschijnselen. Inzicht in de levenscyclus van Fasciola hepatica helpt bij het maken van een tijdige diagnose.

    Acute leverbotinfectie:

    • Komt voornamelijk voor bij schapen 5-6 weken na opname van grote aantallen metacercariae.
    • Wordt veroorzaakt door de vernietiging van leverweefsel door grote hoeveelheden jonge leverbotten die zich actief voeden met leverweefsel en bloed.
    • De verminderde leverfunctie en interne bloedingen kunnen leiden tot plotselinge sterfte van jonge schapen tijdens de late zomer en herfst.
      Klinische verschijnselen zijn onder andere lusteloosheid, zwakte, gebrek aan eetlust, bleekheid en oedeem van de slijm- en bindvliezen en pijn bij palpatie van de leverstreek.

    Chronische leverbotinfectie:

    • Wordt veroorzaakt door de opname van metacercariae door schapen, maar in kleinere aantallen en over een langer tijdsbestek dan bij acute leverbotinfectie.
    • Dieren lopen minder kans op sterfte, maar ontwikkelen chronische leverbotinfectie.
    • Klinische verschijnselen zijn onder andere bleke slijm- en bindvliezen door bloedarmoede, gewichtsverlies en vaak submandibulair oedeem (vochtophoping onder de onderkaak ).
      Vaak vallen er plukken vacht uit en toont de achterhand aangekoekte chronische diarree. Dit kan vliegen aantrekken die vervolgens eitjes leggen in de bevuilde wol, waardoor maden het gebied kunnen binnendringen.

    2. Fecale eitelling

    Een diagnose van chronische leverbotinfectie kan bevestigd worden door het bepalen van eitjes in de mest. Deze hebben een typische geelbruine kleur, een dunne wand en zijn voorzien van een operculum (een ‘deksel’ aan een kant) waar de miracidia (larven) uiteindelijk uitkomen. Leverboteitjes zijn alleen te zien in de mest van dieren met een chronische infectie waarbij de volwassen parasieten zich al gevestigd hebben in de galgangen. Dit komt zelden binnen 10 weken na infectie voor. Bij acute en vroege infecties van de galgangen worden er dus nog geen eitjes aangetroffen in de mest en moet de diagnose gesteld worden op basis van klinisch of immunologisch onderzoek. Daarnaast is het aantal eitjes dat in een fecaal monster aangetroffen wordt niet noodzakelijkerwijs representatief voor de leverbotbelasting in de galgangen. Gastheren kunnen eitjes met tussenpozen uitscheiden, dus kan het zijn dat een enkel fecaal monster slechts een paar eitjes bevat terwijl er talloze parasieten in de lever aanwezig zijn. Bovendien kan een wormbehandeling, bijvoorbeeld met albendazol, de productie van eitjes door de wormen tijdelijk stopzetten, zonder dat de wormen gedood worden of uit het lichaam van de gastheer verwijderd worden.

    3. Biochemisch onderzoek naar plasma-enzymen geassocieerd met leverschade

    Bij acute leverbotinfectie toont het hematologische profiel bloedarmoede als gevolg van acuut bloedverlies en interne bloeding, eosinofilie en hypo-albuminemie. In chronische gevallen is er bloedarmoede met actieve regeneratie van bloedcellen in het beenmerg evenals hypo-albuminemie en eosinofilie. De serumconcentraties van een aantal enzymen indicatief voor beschadiging van leverweefsel zijn verhoogd.

    4. Serologisch onderzoek op de aanwezigheid van specifieke antilichamen tegen Fasciola in bloed of melk

    5. Bepaling van specifieke Fasciola antigenen in de mest

    Nieuwe tests kunnen deze antigenen, ook wel copro-antigenen genaamd, aantonen in fecale monsters van individuele dieren of in gepoolde fecale monsters van een groep dieren.

  • Gebruik van leverbotmiddelen

    Leverbotmiddelen moeten gebruikt worden als onderdeel van een strategisch behandelprogramma voor de bestrijding van leverbot. Er moet in overleg met een dierenarts een bedrijfsbehandelplan opgesteld worden. In dit plan moet rekening worden gehouden met factoren als de voorgeschiedenis van leverbotinfectie op het bedrijf, feedback van slachthuizen, weersomstandigheden en controle d.m.v. serologisch onderzoek of fecale eitellingen. Het belangrijkste doel van ieder behandelprogramma is het beperken van de uitscheiding van leverboteitjes tijdens kritieke momenten in het jaar, zoals het voorjaar en vroege zomer. Het is ook belangrijk om nieuwe schapen op het bedrijf in quarantaine te plaatsen en te behandelen, vooral als de kans bestaat dat ze leverbotten hebben die ongevoelig voor leverbotmiddelen zouden kunnen zijn. Volledige uitroeiing van leverbotten op een bedrijf is niet realistisch, omdat wilde dieren zoals herten en konijnen ook kunnen dienen als reservoir voor de parasiet.

  • Bedrijfsmaatregelen

    Er zijn een aantal preventieve maatregelen mogelijk, zoals het aanpassen van de waterstand, het afzetten van leefgebieden van slakken, het voorkómen van grazen in die gebieden tijdens risicoperiodes en roulerend grazen. Deze maatregelen zijn niet altijd even praktisch en worden dus niet op grote schaal toegepast.

    Bestrijding van tussengastheer (leverbotslak)

    Volledig uitroeien van slakkenpopulaties met chemische of biologische middelen is niet haalbaar en wordt daarom niet meer gedaan. Hiervoor worden ook geen producten gefabriceerd of geregistreerd. Daarnaast is het gebruik van mollusciciden (chemische bestrijdingsmiddelen tegen slakken) vanuit milieuoogpunt tegenwoordig onaanvaardbaar. Het droogleggen van moerassige leefgebieden van slakken is een andere optie, maar dit is duur. Tevens kunnen bedrijven onderworpen worden aan milieucontroles, dus ook deze optie wordt zelden gebruikt.

  • Het economische belang van leverbotinfectie wordt veroorzaakt door de volgende verlies- en schadeposten:

    • Sterfte van acuut geïnfecteerde dieren (voornamelijk schapen, geiten) met grote aantallen leverbotten.
    • Suboptimale groei en verminderde productie en/of kwaliteit van vlees, melk en wol door rundvee, schapen en geiten met chronische leverbotinfectie.
    • Aangetaste levers worden in het slachthuis afgekeurd of ingedeeld in een lagere kwaliteitsklasse.
    • Kosten van preventieve en therapeutische behandeling met anthelmintica, beïnvloed door een steeds hogere incidentie van geneesmiddelenresistentie bij leverbotten.
    • Risico’s voor het dierenwelzijn.
    • Zoönose.

    Hoewel veel van deze aspecten van economisch verlies moeilijk in getallen uit te drukken zijn, wordt geschat dat leverbotinfecties de agrarische sector wereldwijd ongeveer 3 miljard dollar per jaar kosten.