Deze website maakt gebruik van cookies om het gebruik van de website te analyseren en het gebruiksgemak te verhogen.
U kunt meer lezen over cookies in onze disclaimer

Nederland

Caseuze lymfadenitis (CL)

Caseuze lymfadenitis oftewel CL (ook bekend als verkazende lymfeklierontsteking, pseudotuberculose en bultenziekte), is een veel voorkomende chronische aandoening bij schapen en geiten in het Verenigd Koninkrijk, Nieuw-Zeeland, Australië en de meeste andere landen met een schapenhouderij, hoewel de ziekte zelden gezien wordt door veehouders. De aandoening wordt meestal caseuze lymfadenitis (CL) genoemd.

Alles uitvouwen
  • CL is een chronische aandoening bij schapen, gekenmerkt door abcessen door infectie met de bacterie Corynebacterium pseudotuberculosis. Deze bacterie kan tot meerdere maanden in de omgeving overleven. De bacterie leeft in stof, in uitwerpselen en in de darmen en abcessen van geïnfecteerde schapen. Daarnaast kan de bacterie tot 24 uur lang schijnbaar onaangetast overleven in ontsmettingsvloeistoffen voor dompelbaden (Nairne en Robertson 1974).

    De aandoening verspreidt zich wanneer oppervlakkige abcessen opengaan tijdens het hanteren of scheren van geïnfecteerde dieren, met als gevolg besmetting van de scheervloer, hokken en ontsmettingsvloeistoffen. De pus die uit de opengebarsten abcessen loopt, is de belangrijkste verspreidingsbron. Het micro-organisme dringt het lichaam binnen via wonden of door inademing of opname via de mond. Het wordt via het lymfestelsel naar klieren (lymfeklieren) getransporteerd, waar het zich vermenigvuldigt en ontsteking en abcesvorming veroorzaakt. Deze langzaam groeiende abcessen gaan niet gepaard met warmte van de huid of pijn.

  • CL veroorzaakt bij ongeveer 80% van de geïnfecteerde schapen abcessen (variërend in grootte), voornamelijk in de lymfeklieren. De prescapulaire (boeg-) en prefemorale (liesplooi-) lymfeklieren worden het vaakst aangetast, maar ook longabcessen komen bij veel geïnfecteerde schapen voor. Andere belangrijke organen zoals de lever, milt en nieren kunnen ook door CL aangetast worden. Er zijn ook gevallen bekend van aantasting van het scrotum bij rammen, wat kan leiden tot onvruchtbaarheid. Abcessen in de oppervlakkige lymfeklieren kunnen gevoeld worden tijdens een lichamelijk onderzoek, maar diepliggende abcessen (bijvoorbeeld in de inwendige organen) kunnen pas na het slachten gevonden worden.

  • De pus heeft bij CL de consistentie van zachte kaas (vandaar ook de naam ‘verkazende lymfeklierontsteking’), en wordt harder bij oudere abcessen die goed ingekapseld zijn. Abcessen groeien langzaam en kunnen een doorsnede van 20 tot 40 mm bereiken. Deze abcessen kunnen openbarsten, waarna ze pus uitscheiden met een karakteristieke groenige kleur. Ieder abces bevat genoeg bacteriën om een hele koppel te besmetten. De bacteriën komen vrij in de omgeving wanneer het abces openbarst of beschadigd raakt tijdens het dompelbaden of scheren. Overdracht vindt plaats via besmette scheerapparatuur, kleding van de schaapscheerder en via andere objecten.

  • Behandeling van CL is economisch meestal niet haalbaar. De bacteriën zijn gevoelig voor een hele reeks antibiotica waaronder penicilline, maar omdat abcessen ingekapseld kunnen zijn en de behandeling van individuele dieren arbeidsintensief is, is het gebruik van antibiotica onpraktisch. Bij waardevolle dieren kunnen abcessen geopend worden en gereinigd met een adstringerende oplossing, maar dit wordt met het oog op de verspreiding van de bacterie in de omgeving sterk afgeraden. Ook omdat dit bij inwendige, niet zichtbare, abcessen geen optie is.

    Eenmaal geïnfecteerde schapen kunnen niet voor CL behandeld worden, omdat er geen bekende behandeling bestaat. Vaccinatie in combinatie met de maatregelen die in het gedeelte over preventie genoemd worden, kan helpen bij het terugdringen van de infectiegraad op een bedrijf, maar wordt onder Nederlandse omstandigheden niet geadviseerd. Met behulp van serologisch onderzoek en het ruimen van geïnfecteerde dieren kan namelijk een ‘vrije status’ behaald worden.

  • Een ‘gesloten bedrijfsvoering’ en allen importeren en toevoegen van schapen na uitgebreid serologisch onderzoek zijn belangrijke maatregelen ter preventie. Bestrijdingsmaatregelen moeten gericht zijn op het voorkomen van verspreiding van CL van geïnfecteerde schapen naar niet-geïnfecteerde schapen.

    Uitgangspunt op een besmet bedrijf hierbij is dat alle pasgeboren lammeren niet geïnfecteerd worden. Naarmate ze ouder worden, neemt de kans op blootstelling aan de aandoening toe, omdat ze steeds meer in contact komen met oudere schapen. Het oormerken, scheren en dompelbaden van lammeren zijn allemaal risicosituaties voor besmetting via nieuwe en bestaande huidbeschadigingen en door nauw contact met andere dieren. Deze factoren, en een met de tijd groeiende kans op blootstelling maken dat oudere schapen het meest geïnfecteerd en dus het meest besmettelijk zijn.

    • Gebruik alleen ‘bedrijfseigen’ apparatuur
    • Tijdens het scheren: zorg ervoor dat lammeren en jonge schapen het eerst geschoren worden, zodat de instrumenten en omgeving zo schoon mogelijk zijn. Schenk extra aandacht aan de hygiëne van de hokken, afscheidingen, vloeren en doorgangen en aan alle scheerinstrumenten, met name kammen en messen.
    • Na het scheren: houd de geschoren lammeren en eenjarige schapen gescheiden van de oudere schapen. Houd pasgeschoren schapen niet onnodig lang in de uitloop of hokken maar laat ze zo snel mogelijk op de wei. De hokken waar pasgeschoren schapen verblijven zijn meestal het meest besmette gebied van de stal.
    • Tijdens het dompelbaden: zorg ervoor dat de lammeren en jonge schapen het eerst gedompeld worden, zodat de dompeloplossing niet besmet is door geïnfecteerde schapen vóór hen.

    Jaarlijkse boostervaccinaties en een juiste enting van lammeren zijn cruciaal voor het succesvol terugdringen van CL in koppels. Het duurt minstens vier jaar om de prevalentie van CL terug te brengen naar een acceptabel niveau. Een permanent programma is daarna noodzakelijk om de prevalentie vervolgens laag te houden.

    In Nederland waar de prevalentie van CL bij schapen nog erg laag is moet alles er op gericht zijn om insleep van besmetting te voorkomen. Serologisch onderzoek en vrijwaringsprogamma’s zijn daarbij belangrijke hulpmiddelen.