Deze website maakt gebruik van cookies om het gebruik van de website te analyseren en het gebruiksgemak te verhogen.
U kunt meer lezen over cookies in onze disclaimer

Nederland
West-Nijl Virus (WNV)

West-Nijl Virus

Het West-Nijl Virus (WNV) wordt overgedragen van besmette (trek)vogels op zoogdieren door de beet van verschillende soorten muggen, in het bijzonder muggen van de Culex-soorten. Vooral paarden en mensen zijn gevoelig voor infectie door het West-Nijl virus, dat via de bloedbaan naar de hersenen en het ruggenmerg wordt getransporteerd. De ontstekingen van de hersenen en/of hersenvliezen kunnen ernstige en mogelijk dodelijke zenuwverschijnselen veroorzaken.

Het virus, oorspronkelijk uit Afrika, heeft zich over de hele wereld verspreid en komt tegenwoordig voor in Australië, Azië, Europa en Noord-Amerika. Het WNV werd in 1999 voor het eerst vastgesteld in de VS, waar het al snel een nationale epidemie werd en tienduizenden paarden ernstig verzwakte. Het sterfte percentage van besmette paarden was helaas erg hoog. Hoewel dit virus alleen kan worden overgedragen door steekmuggen (geen overdracht van paard op paard of van paard op mens), loopt elk onbeschermd paard gevaar, in het bijzonder tijdens het muggenseizoen. Onlangs dook WNV opnieuw op in Europa. In 2008 deed zich in Italië een nieuwe uitbraak voor. Ondertussen is het endemisch in het Camarque gebied in Frankrijk en Italië, en werden er in 2010 uitbraken vastgesteld in onder andere Griekenland, Spanje en Hongarije.Voor de West-Nijlziekte bestaat geen specifieke behandeling. Er kan alleen symptomatisch, ondersteunend behandeld worden. Individuele paarden kunnen wel beschermd worden door middel van vaccinatie.

Alles uitvouwen
  • Ziekteverschijnselen kunnen binnen 3–15 dagen na besmetting optreden:

    • Koorts en griepachtige verschijnselen
    • Verlies van eetlust
    • Sloomheid, lusteloosheid
    • Slikproblemen
    • Verminderd gezichtsvermogen
    • Hoofd scheef houden of tegen de muur drukken
    • Struikelen
    • Spierzwakte of spiertrekkingen
    • Doelloos of in cirkels lopen
    • Gedeeltelijke verlamming
    • Onvermogen om zonder steun te blijven staan
    • Stuiptrekkingen
    • Coma
  • Vaccinatie van het paard en de blootstelling aan muggen voorkomen, zijn beide belangrijke factoren bij de preventie van West-Nijlziekte.

    Vaccinatie

    Vaccinatie kan bij paarden de kans op de gevolgen van West-Nijlvirusinfectie sterk verminderen. Dit werd duidelijk aangetoond in de VS, waar het aantal gerapporteerde gevallen bij paarden sinds de piek van 2002 meer en meer is afgenomen doordat de dieren werden gevaccineerd. Om paarden tegen het West-Nijlvirus te beschermen moet het vaccinatieprogramma ruim voor de start van het muggenseizoen (die per jaar sterk kan verschillen) zijn afgerond, zodat het paard goed beschermd is voordat het de kans loopt om gestoken te worden.

    Bestrijding van steekmuggen (vectoren)

    Insecticiden zijn een simpel en effectief middel om het aantal volwassen steekmuggen te beperken. Om de belangrijkste bron van steekmuggen aan te pakken, moet het voortplantingsgebied van de steekmuggen worden vernietigd, zodat het aantal steekmuglarven wordt verminderd. Steekmuggen leggen hun eitjes in stilstaand water, en de larfjes ontwikkelen zich daarin verder tot volwassen mug.

    • Ververs het water uit drinkbakken en andere waterreservoirs minimaal om de 4 dagen, maar bij voorkeur dagelijks.
    • Verwijder voorwerpen waarin zich water zou kunnen verzamelen (autobanden, oude voeremmers) en zorg dat de omgeving van uw paard opgeruimd blijft.
    • Zorg dat bakken, bussen, voorraadvaten e.d. met een deksel afgedekt zijn.
    • Maak goten en geulen regelmatig schoon om te voorkomen dat er water in blijft staan.
    • Als u er de kans voor hebt en de wetten van uw land het gebruik toestaan, kunt u overwegen om muggen etende vissen te kweken in een vijver o.i.d.

    Blootstelling aan steekmuggen voorkomen

    • Zorg dat de paarden opgestald zijn tijdens de avond- en de ochtendschemering, wanneer steekmuggen het meest actief zijn.
    • Laat ’s nachts niet onnodig licht branden, zodat geen steekmuggen worden aangetrokken of gebruik fluorescerend licht; dit heeft namelijk geen aantrekkende werking op steekmuggen.
    • Breng steekmugbestendige schermen aan voor de stalraampjes.
    • Een speciale muggendeken kan ook bescherming bieden
  • Paarden die met het West-Nijl virus in contact komen, zullen specifieke antistoffen tegen het virus aanmaken en kunnen een milde vorm van West-Nijlziekte te boven komen. In alle gevallen is echter veterinaire zorg nodig. Voor West-Nijlziekte bestaat geen specifieke behandeling gericht tegen de aandoening zelf: elke behandeling zal ‘ondersteunend’ zijn. Als een paard ernstige zenuwverschijnselen vertoont, is het nodig om het dier op te nemen in een kliniek. Dergelijke paarden moeten in een omgeving worden gebracht die veilig is, met gepolsterde wanden en een dikke bodembedekking. Eventueel moet het hoofd van het paard worden beschermd, zodat het dier zich niet kan verwonden. Paarden die niet zonder steun kunnen staan, moeten in een speciale draagband worden gehangen.

    Er dient voor gezorgd te worden dat de vochtvoorziening en voeding voldoende zijn. Als een paard niet in staat is om zelf te eten en te drinken, kan het nodig zijn om vloeistoffen en voeding via een infuus toe te dienen. Andere ondersteunende maatregelen kunnen bestaan uit het toedienen van ontstekingsremmers, de dieren in een ‘roesje’ houden en antivirale middelen, hoewel het nut van deze laatste nog onduidelijk is. Het kan vele maanden duren voordat zieke dieren hersteld zijn. Vaak zal er schade blijven, de kans dat een sportpaard zijn oude niveau weer bereikt is minimaal. Als een paard een ernstige hersenontsteking overleeft, kan er sprake zijn van blijvende schade aan het centrale zenuwstelsel.

  • Er moet worden gedacht aan een infectie met West-Nijlvirus als een paard één of meer van bovenstaande zenuw verschijnselen vertoont. Deze verschijnselen zijn vooral relevant als een paard niet gevaccineerd is tegen het West-Nijl virus en als het dier mogelijk blootgesteld is geweest aan steekmuggen (vector), of in gebieden is geweest waar het virus voorkomt. Mogelijke gevallen moeten snel worden vastgesteld door de dierenarts, zodat met de noodzakelijke ondersteunende behandeling kan worden begonnen. Daarom is het erg belangrijk om de dierenarts erbij te halen als een paard dergelijk abnormaal gedrag vertoont. Een definitieve diagnose, met uitsluiting van andere aandoeningen (zoals bij rabiës en rhinopneumonie), kan alleen worden gesteld door middel van laboratoriumonderzoek. Daarbij is het belangrijk om goed bij te houden welke vaccinaties het paard heeft gehad. Voor laboratoriumonderzoek worden in de regel bloedmonsters afgenomen om specifieke WNV-antigenen of -antistoffen aan te tonen.

  • Hoe vaak moet een paard door een geïnfecteerde mug worden gebeten om zelf geïnfecteerd te raken?
    Dat is niet precies bekend. Mogelijk hangt het af van de hoeveelheid virus die de geïnfecteerde muggen bij zich dragen.

    Hoeveel tijd zit er tussen het moment dat een paard geïnfecteerd raakt en het moment dat het voor het eerst verschijnselen vertoont?
    De eerste verschijnselen kunnen 3 tot 15 dagen na besmetting optreden. Niet alle besmette paarden zullen echter ziekte verschijnselen vertonen.

    Kunnen paarden die geïnfecteerd zijn met West-Nijlvirus andere paarden besmetten?
    Nee, het West-Nijlvirus wordt overgedragen door de beet van geïnfecteerde muggen. Steekmuggen kunnen alleen geïnfecteerd raken door een bloedmaal van besmette vogels te nemen. Het WNV dat op paarden wordt overgedragen door de beet van geïnfecteerde muggen vermenigvuldigt zich in de paarden niet genoeg om vervolgens andere muggen, die een bloedmaal van het geïnfecteerde paard nemen, te kunnen besmetten. Paarden (en ook mensen) worden daarom beschouwd als eindgastheren.

    Moet een paard dat geïnfecteerd blijkt met West-Nijlvirus worden aangegeven bij de autoriteiten?
    Ja. West-Nijlziekte is een aangifteplichtige ziekte, dus elk paard dat geïnfecteerd blijkt te zijn met het West-Nijlvirus, moet bij de bevoegde autoriteiten worden aangegeven.

    Kan een paard dat langs natuurlijke weg blootgesteld is geweest aan West-Nijlvirus nog worden gevaccineerd?
    Het is belangrijk om een maximale bescherming tegen WNV te bieden door alle paarden te vaccineren, of ze nou wel of niet verdacht worden van eerdere natuurlijke contacten met het virus. Echter, paarden die ziekteverschijnselen vertonen, mogen niet worden gevaccineerd.

    Zal een vaccinatieprogramma voor paarden niet interfereren met een epidemiologisch onderzoek naar WNV? (tests die binnen een bepaald gebied worden uitgevoerd om vast te stellen of het West-Nijlvirus in dat gebied aanwezig is in populaties steekmuggen, vogels en/of paarden.)
    Vaccinatie tegen WNV zou geen significante invloed hebben op epidemiologisch onderzoek naar WNV.  Paarden die op een natuurlijke manier geïnfecteerd zijn, hebben twee typen antistoffen in hun serum, namelijk IgG en IgM. Paarden die gevaccineerd zijn (in plaats van langs natuurlijke weg geïnfecteerd), hebben waarschijnlijk geen IgM-antistoffen in hun bloedserum. Om die reden kan door surveillance-onderzoek meestal onderscheid worden gemaakt tussen gevaccineerde en langs natuurlijke weg geïnfecteerde dieren.

    Waarom moet een paard toch worden gevaccineerd tegen het West-Nijlvirus als de ziekte niet is vastgesteld in het Europese land of de Europese regio waar het paard verblijft of naartoe gaat?
    Het West-Nijlvirus circuleert al onder vogels in Europa en de Culex-muggen die de ziekte op paarden overbrengen komen wijdverspreid over heel Europa voor. Omdat een dergelijke uitbraak zich op elk moment kan voordoen, is vaccinatie de enige manier om de kans dat een paard aan de aandoening bezwijkt te verkleinen. Bovendien is vaccineren in geval van een uitbraak waarschijnlijk al te laat om paarden te beschermen, omdat een vaccin pas 3 weken na de primaire vaccinatie volledige bescherming biedt. Ook zouden paarden die naar gebieden reizen waar het West-Nijlvirus endemisch is (bijvoorbeeld Amerika of Italië) minimaal 6 weken voordat deze reis plaatsvindt, gevaccineerd moeten worden om er zeker van te zijn dat de dieren beschermd zijn op het moment dat ze het betreffende gebied binnengaan.

    Vanaf welke leeftijd mogen veulens worden gevaccineerd?
    Veulens mogen vanaf een leeftijd van 6 maanden worden gevaccineerd.

    Kunnen maternale antistoffen tegen WNV worden overgedragen op het veulen?
    Ja. Als een drachtige merrie 5 à 6 weken voor het eind van de dracht wordt gevaccineerd, kan dat voor het veulen passieve immuniteit gedurende maximaal 4 maanden betekenen.