Deze website maakt gebruik van cookies om het gebruik van de website te analyseren en het gebruiksgemak te verhogen.
U kunt meer lezen over cookies in onze disclaimer

Nederland

Woordenlijst Gebitsaandoeningen

  • abces – gelokaliseerde ophoping van pus in een weefsel, orgaan of afgesloten holte. 

    aëroob organisme – micro-organisme dat zuurstof nodig heeft om te groeien en te vermeerderen. 

    alveolair bot – het gedeelte van de kaak waarin de tanden geworteld zitten (tandkas). 

    anaëroob organisme – micro-organisme dat alleen kan overleven, groeien en vermeerderen in de afwezigheid van zuurstof. 

    atopisch – gevoelig voor bepaalde stoffen (antigenen) die allergische symptomen veroorzaken. 

    bacteriëmie – situatie waarbij bacteriën in de bloedbaan aanwezig zijn. 

    Bèta-lactamase – soort bacterieel enzym dat bèta-lactam antibiotica kan inactiveren. Penicillinase en cefalosporinase zijn beide voorbeelden hiervan. 

    bijwerking – een onbedoeld negatief effect van een behandeling met geneesmiddelen. 

    brachycefaal – letterlijk ‘kortschedelig’. Heeft betrekking op honden met een korte, platte kop, zoals mopshonden, buldogs en boxers. 

    buccaal – in het algemeen: met betrekking tot de mond. In verband met het tandoppervlak: de wangzijde van de kiezenrij. 

    calculus – tandsteen. 

    cement – stevig kalkrijk bindweefsel dat de wortel van een tand bedekt. 

    cortex – harde buitenste laag van bot. 

    débridement – verwijdering van resten en aangetast weefsel uit een wond om gezond omliggend weefsel bloot te leggen. 

    empyeem – aanwezigheid van pus in een lichaamsholte. 

    endocarditis – ontsteking van het endocardium, de laag die de binnenkant van de holtes in het hart (boezems en kamers) bekleedt. 

    exsudaat – bij ontstekingen gevormd vocht dat cellen en dode celdeeltjes bevat. 

    facultatief anäeroob organisme – micro-organisme dat zowel met als zonder zuurstof kan leven en zich vermeerderen. 

    fagocyt – een bloedcel die vreemd materiaal omsluit en vernietigt. 

    fagocytose – het omsluiten en vernietigen van ziekteverwekkers door fagocyten. 

    flora – bacteriële populatie. 

    gingiva – het tandvlees. 

    gingivitis – ontsteking van het tandvlees. 

    glycocalyx – het ‘slijm’ dat ziekteverwekkende bacteriën produceren om zich te beschermen tegen vernietiging door het immuunsysteem van hun gastheer. Alle ziekteverwekkende Bacteroides- enPorphyromonasstammen produceren een glycocalyx. 

    halitose – slechte adem. 

    infectie – binnendringen en vermeerderen van micro-organismen in de lichaamsweefsels. 

    ischemie – verminderde of verhinderde bloedtoevoer. 

    kroon – het gedeelte van de tand dat boven het tandvlees uitkomt. 

    linguaal – in het algemeen: met betrekking tot de tong. In verband met het tandoppervlak: de tongzijde van de kiezenrij. 

    malocclusie – slechte aansluiting van de boven- en ondertanden. 

    mandibula – de onderkaak. 

    maxilla – de bovenkaak. 

    minimale remmende concentratie (MRC) – de laagste concentratie van een geneesmiddel waarbij de groei van bacteriën nog wordt geremd. Ook wel MIC genoemd: Minimaal Inhiberende Concentratie 

    necrose – cel- en weefseldood. 

    ontsteking – een lokale, in eerste instantie beschermende reactie op letsel aan weefsel. Klassieke symptomen zijn pijn, warmte, roodheid, zwelling en functieverlies. 

    osteomyelitis – ontsteking van het bot en beenmerg. 

    pathogeen – ziekteverwekkend / ziekteverwekkende kiem. 

    pathogenese – ontstaansproces van een ziekte 

    parodontaal – met betrekking tot de omliggende weefsels van tanden en kiezen. 

    parodontitis – ontsteking van de weefsels die om tanden en kiezen liggen, ook wel periodontitis genoemd. 

    periost – fibreus vlies om botten dat bloed en botvormende cellen levert aan het bot voor de groei of voor hergroei na een breuk. 

    placebo – een inactieve stof die gebruikt wordt in gecontroleerde onderzoeken om de werkzaamheid van een geneesmiddel vergelijkenderwijs vast te stellen. 

    plaque – afzetting van bacteriën en glycoproteinen op het tandglazuur (tandplak). 

    PMK’s - polymorfkernige neutrofielen. Witte bloedcellen die ziekteverwekkende bacteriën aanvallen en onder meer omsluiten tijdens een proces dat ‘fagocytose’ wordt genoemd. 

    PO - Per os ofwel orale toediening. 

    polymicrobieel – betrokkenheid van meer dan één bacterie. 

    pulpaholte – het wortelkanaal van een tand. 

    purulent - etterig. 

    pyodermie – bacteriële huidinfectie. 

    pyometra – pus in de baarmoeder (baarmoederontsteking). 

    redoxpotentiaal – de oxidatie-reductiecapaciteit. 

    ‘root planing’ – engelse term, betekent het verwijderen van tandsteen van het worteloppervlak in de tandpocket. 

    ‘scalen’ – engelse term, betekent verwijdering van tandplak en tandsteen. 

    sekwester - stukje bot uit de cortex waarvan de bloedtoevoer is afgesneden. 

    sepsis – de aanwezigheid van ziekteverwekkers of hun toxines in het bloed 

    sulcus – de ruimte tussen tand en het aansluitende tandvlees. 

    symptoom – subjectief en/of objectief teken van een ziekte, bijvoorbeeld verlies van eetlust. 

    tandsteen -  gemineraliseerde tandplak. 

    vertakking – het gebied waar de wortels van een tand zich splitsen, ook furcatie genoemd. 

    wortelkanaal – het binnenste gedeelte van het tandbeen. Ook pulpaholte genoemd.